Steekproeven algemeen

< Alle onderwerpen

Steekproeven Algemeen

Binnen de statistiek probeer je vaak op grond van de resultaten van een steekproef conclusies te trekken over de populatie. De populatie is de naam voor de complete groep waarover het statistisch onderzoek gaat. De steekproef is het deel van de populatie dat je bij je onderzoek betrekt. Er zijn twee redenen waarom je gebruik maakt van een steekproef. De eerste is dat de populatie zo groot is dat het onmogelijk is om alle objecten te benaderen. De tweede reden is dat het onderzoek te duur wordt om bij alle objecten metingen te verrichten. Door de inferentiële statistiek toe te passen, is het ook niet noodzakelijk om een hele populatie te bemeten. Ook door slechts een deel van de populatie te bemeten, is de onderzoeker in staat om relevante uitspraken te doen over die populatie.

Bij statistisch onderzoek moet je steeds goed onderscheiden of je over de populatie spreekt dan wel over de steekproef. De populatie is over het algemeen slechts in formele zin gegeven in termen van een kansverdeling met enkele onbekende parameters. Het is per slot van rekening een deel van het totaal, dus er is kans dat de steekproef nooit helemaal (100%) klopt met de populatie (het totaal) Het zijn deze parameters die men graag zou kennen, maar om uiteenlopende redenen niet kent. Een steekproef verschaft informatie over de parameters, door het geven van een schatting, het toetsen van een hypothese over een parameter, e.d.

Bij het doen van onderzoek is het – zoals gezegd – zelden mogelijk om alle elementen waarin men geïnteresseerd is (de populatie) te onderzoeken. Je onderzoekt dan een steekproef van elementen uit die populatie. Wil je met enig vertrouwen op basis van een steekproef uitspraken doen over een populatie, dan moet de steekproef representatief en willekeurig (aselect) getrokken zijn. Bij een aselecte steekproef heeft ieder element van de populatie een even grote kans om in de steekproef opgenomen te worden. Uitspraken over populaties zijn altijd kansuitspraken; je weet het nooit helemaal zeker, juist omdat je niet de hele populatie, maar slechts een steekproef onderzocht hebt.
De onafhankelijkheid van steekproeven houdt in dat het trekken van een steekproefelement in de ene steekproef geen invloed heeft op het trekken van elementen in andere steekproeven. De scores in de verschillende steekproeven zijn dan ook onderling onafhankelijk, met andere woorden, alle individuen of observaties in alle steekproeven zijn toevalsgewijs.

In een onderzoek waarin bijvoorbeeld twee groepen van respondenten met elkaar worden vergeleken, en in de éne steekproef enkel mannen zitten, en in de andere enkel de partners van diezelfde mannen, spreek je van afhankelijke of gerelateerde steekproeven. Andere voorbeelden van gerelateerde steekproeven zijn: het afnemen van een vragenlijst bij een aantal personen en het na verloop van een maand afnemen van dezelfde vragenlijst bij dezelfde personen, of het indelen van studenten in twee groepen: een testgroep en een controlegroep. De studenten worden niet toevalsgewijs verdeeld over de test- of controlegroep maar telkens als een student toegewezen wordt aan de testgroep, wordt een andere student met zoveel mogelijk dezelfde karakteristieken als eerste toegewezen aan de controlegroep (dit is een gepaarde steekproef). Gepaarde waarnemingen zijn meetresultaten bij dezelfde onderzoekseenheid.

Call Now Button

X